zaterdag 10 augustus 2019

De sterfdag van mijn opa, naar wie ik genoemd ben.



10 augustus (1942).

Vandaag precies 77 jaar geleden deed Gerhard Pieters aangifte van het overlijden van Pieter Geertsema! Pieter Geertsema, de vader van mijn vader, mijn opa en de man naar wie ik vernoemd ben, is gisteren -9 augustus- precies 77 jaar geleden gestorven. Hij is 35 jaar geworden.

Nu heb ik niet alle datums paraat waarop familie geboren is of gestorven en al helemaal niet van mensen die al lang geleden overleden zijn, die ik niet gekend heb.
Ik sprak gisteren mijn zusje, en deze opa, opa Pieter die we niet gekend hebben, kwam ter sprake. We vroegen ons af hoe hij is gestorven. Op het internet is zijn overlijdensakte te vinden. Daarop staat, dat het gisteren zijn sterfdag was. Wat een toeval he?

Het laat mij de hele dag en nacht niet meer los. Jaren geleden heb ik de krochten van het internet al eens doorzocht naar sporen. Was er iemand die iets kan vertellen over mijn grootvader, wie heeft hem gekend en kan hier iets over vertellen. Het enige wat mij verder brengt, zijn kleine verbanden tussen dingen die mij ooit verteld zijn en wat algemeenheden die ik vind op het internet.

Het is geen mooi verhaal. Geen heldendaden, geen heroïsche verhalen die verfilmd zouden moeten worden, of op zijn minst doorverteld worden aan kinderen, kleinkinderen en ga zo maar door.
Mijn opa is alleen gestorven in een ziekenhuis in Groningen, daags nadien deed een kantoorbediende (mogelijk van het ziekenhuis) aangifte van zijn overlijden.
Pieter laat een vrouw en een zoon na, die 14 dagen later zijn derde verjaardag zou vieren. Zevenenzeventig jaar later bekijk ik zijn ‘entlassungsschein’ (ontslagbrief) van de Kriegsmarinewerf in Wilhelmshaven, ondertekend door de fregattenkapitan. De dagtekening is 10 augustus 1942.

Pieter Geertsema is begin 1942 gaan werken op de marinewerf van Wilhelmshaven!
Moest hij voor de Duitsers werken, of is hij zelf voor de Duitsers gaan werken?
Mijn eigen onderzoek vertelt dat beide mogelijk zijn. Ik weet niet wat hij tussen 1937 en 1942 deed, hoogstwaarschijnlijk leefde het gezin van de steun in de crisisjaren. Ook hebben ze in die crisisjaren hun eerste kindje begraven, hun oudste zoontje werd dood geboren.
Misschien heeft hij toen al wel in Duitsland gewerkt? De Duitse oorlogsindustrie draaide immers op volle toeren, en Duitsland was bij wijze van spreken aan de ander kant van de sloot!


Al in de jaren dertig werden Europese werklozen geworven voor werk in Duitsland. Tijdens de bezetting wordt de werving met kleurige affiches voortgezet. Aanvankelijk geschiedt het werken in Duitsland op vrijwillige basis.
Met name werklozen komen voor de arbeidsinzet in aanmerking. Eind juni 1940 stelt het Nederlands departement van Sociale Zaken dat gemeenten dwang mochten uitoefenen: wie niet meewerkt aan zijn uitzending naar Duitsland, kan de uitkering verliezen (Dat was overigens ook al zo in de jaren dertig).
Wat moest hij anders als werkeloze, ontslagen typograaf?

Stel je eens voor, een huisje in de veenkoloniën, met een houtvuur, een bedstee, een geit en wat kippen. Een lapje grond voor bonen en aardappelen, een waterput en natuurlijk de kastanjeboom. Oma heeft haar baby op de arm en opa zit aan de tafel. ‘Lieve vrouw wat moeten we nu?’, vraagt hij. Zouden het moeilijke beslissingen geweest zijn, hoe was hun wereldbeeld, waren ze politiek geëngageerd? ik denk dat niet! Waren er alternatieve mogelijkheden om te overleven?
En ook die beslissing heeft hij niet overleefd. Hij is ziek geworden en uiteindelijk terug gekomen uit Duitsland om alleen in een ziekenhuis in Groningen te sterven.

Mijn vader heeft zijn vader nooit gekend en ik vraag mij af of hij wist wat er precies besproken is aan die keukentafel bij de houtstoof.
Na de oorlog was dit natuurlijk een besmet verhaal. Het echte verhaal, zonder franje of opportune wending werd niet meer verteld.
Mijn opa is gaan werken voor de Duitsers in de oorlog. Gedreven door armoede, gedwongen door de Gemeente waarin hij woonde? Of gewoon omdat het niet gek was om in Duitsland te werken, daar hadden ze werk en hadden ze mensen nodig.

Ik weet bijna niets van mij opa wiens naam ik draag.
Ik heb een briefje en een kaartje die ze elkaar schreven toen opa in Duitsland werkte.
De poststempel is van donderdag 5 maart 1942. Het briefje beschrijft dat hij wel af en toe thuis kwam. Hij vraagt naar hun kleine zoon Harm en kijkt uit om samen weer thuis te zijn en leuke dingen te doen. Een briefje waaruit ik geen conclusie kan trekken, ja dat het gewone mensen waren, die hard moesten werken om in de oorlog te overleven en als ze vrij waren graag bij elkaar waren. Hoe herkenbaar is dit wel niet !
Alle sporen zijn gewist, en mijn vader heeft er verder nauwelijks over gesproken.

Het waren geen heldendaden, zeker niet na de oorlog, geen lintjes en vlaggen. Maar een jonge vrouw die alleen een kind moet opvoeden, zou ze op iets van begrip hebben kunnen rekenen? Zou ze hulp hebben gehad? Ik hoop het!
Voor mij was ze een held, ze hakte zelf hout voor haar kachel en ik was haar oogappel! Ik herinner mij dat ze als we in het kleine huisje aan de Telefoonweg waren en het was twaalf uur, de boontjes uit de weck met aardappeltjes en de worst gaar waren,( dat waren ze om 11.00 ook al) we aan tafel zaten. Ze zei dan in het dialect tegen mijn vader: ‘toe Harm, jij moet bidden, je kunt dat zo mooi’. Natuurlijk deed mijn vader wat zijn moeder zei, hoe kan dat ook anders. Hij sprak zijn onze vader over ons uit, met na het amen, altijd een kort snufje van mijn oma. Nu begrijp ik dat kleine emotionele snikje ineens veel beter.

Otto Weis zei:
‘Elk tijdperk heeft duizend helden die in geen enkel geschiedenisboek staan vermeld!’

En daarom wil ik dit verhaal wel vertellen, mijn opa, zijn naam draag ik met trots. Ook dit verhaal verdiend het om verteld te worden, maar zeker ook om verder verteld te worden!  

Peter Geertsema

10-8-2019